De dieren van Ver

Auteur:

Piers Torday

Illustrator:

omslagillustratie Thomas Flintham

Vertaler:

Aimée Warmerdam

Recensie thema's: 
Leeftijd: 
Trefwoorden: 
Aantal pagina's: 415
Uitgever: Luitingh-Sijthoff
Jaar: 2017

Recensie

In het derde (en laatste?) deel van de reeks over Kester en de laatste dieren dreigt de angstdroom van de dieren uit te komen, waarin de aarde vergaat door het vuur. Die boodschap brengt ook de walvis, al brengt hij ook hoop. Ergens op een eiland zou de redding van de wereld te vinden zijn. Kester trekt ernaartoe met zijn trouwste dieren en met Aida en Polly, met wie hij een onafscheidelijk trio vormt. Een vreselijke storm en reuzenkwallen kunnen hen niet tegenhouden. Op het eiland worden ze aanvankelijk erg onvriendelijke onthaald door de enige bewoner. Maar daar blijkt wel degelijk de redding van de planeet te liggen, al lijkt Kester dat niet te beseffen. Intussen heeft de gewetenloze Stone een ruimteschip gebouwd om met een deel van de wereldbevolking naar een nieuw ontdekte planeet te trekken. Maar natuurlijk komt loontje om zijn boontje, al komt niet alles zomaar goed en wordt Kester opnieuw van zijn vader gescheiden.

Ook dit derde deel bevat meer dan voldoende spanning om jonge lezers in de ban de houden. Om die spanning op te voeren haalt de auteur tal van gekende trucs uit de kast: een storm, vraatzuchtige dieren, door en door slechte schurken, een mysterieus eiland met een gevaarlijke bewoner, een zee van vuur die alles dreigt te vernietigen, het aftellen voor de ondergang, het vertrek van het ruimteschip enzovoort. Wie wat kritischer leest, kan zich echter al snel ergeren aan de voorspelbare of al te toevallige manier waarop al die gevaren overwonnen worden. Net als in de vorige delen zijn de slechteriken erg stereotiep neergezet. Hier worden de twee mannelijke handlangers van Stone aangevuld met een vrouwelijke die al even verdorven is, waardoor ze op geen enkel moment een geloofwaardig personage wordt. Erger is het dat ook Polly en Aida bij momenten hun geloofwaardigheid verliezen, bijvoorbeeld in de onwaarachtige woorden die ze tot Kester richten net voor ze dreigen te vergaan door het vuur. En zelfs Kester blijft te veel van papier, ook wanneer de auteur probeert zijn twijfels en onzekerheid onder woorden te brengen, al is het op zich wel goed dat ze daar aandacht aan besteedt. Op het eiland moet een nieuw personage voor wat humor zorgen, meer bepaald een hagedis die praat als een ‘typische’ Amerikaanse toerist, waarbij hij zo vaak ‘cool, ‘dude’, ‘yeah’ en ‘chill’ zegt dat hij op de duur meer op de zenuwen werkt dan op de lachspieren.

Los van de kritische bedenkingen kunnen de boeken over Kester en zijn vrienden allicht een ruime lezersgroep aanspreken door die mix van spanning met een vleugje humor en emotie, de eenvoudige verhaallijn en vlot leesbare stijl. Daarbij is het in elk geval meegenomen dat de verhalen de lezers doen nadenken over de toekomst van onze planeet en de bedreigingen door de mens. Uiteindelijk bevatten ze een boodschap van hoop en vertrouwen in de kracht van de natuur, tenminste als de mens naar die natuur luistert én naar de raad van Kesters overleden moeder: ‘wees een goed mens, de beste die je kunt zijn.’

Jan Van Coillie